DESIGN STUDIO-3D

Hans van der Lee

Iedere christen die meer voor zichzelf neemt dan het meest noodzakelijke voor zijn levensonderhoud de Heere openlijk en voortdurend verloochent.

Het is opmerkelijk dat Jezus het heeft over slechts één rivaal naast satan als zijn grote tegenstander. Dit was niet één van de toenmalige religieuze hoogwaardigheidsbekleders, maar mammon. Omdat mammon de meest wezenlijke tegenspeler van Jezus is, is het uiter­mate belangrijk dat we goed zicht hebben op wat Hij met mammon bedoelde.

Wie of wat is mammon?

Mammon is een afgod. Mammon plaatst zich naast God om zich door mensen te laten dienen. Dat blijkt duidelijk uit hoe Jezus over mammon sprak. Hij zei: `Jullie kunnen niet God dienen en de mam­mon.' Iets dat of iemand die je dient in plaats van God is een afgod. Eén ding weten we dus heel zeker over mammon, wat het ook is, het is in ieder geval een afgod. Iets dat iedere volgeling van Jezus dus geen enkele ruimte zou moeten willen geven in zijn leven. Maar, alleen wanneer we goed begrijpen wie of wat mammon is, is het mogelijk om de invloed van deze afgod buiten de deur te houden.

Kort geleden kwam ik terug van een internationale reis. In de trein van Schiphol naar Amersfoort werden we via de intercom door de machinist gewaarschuwd voor zakkenrollers. Toch zag ik niemand zoekend om zich heen kijken. Natuurlijk niet, want niemand wist hoe de zakkenrollers te herkennen waren. Jaren daarvoor werd ik te pakken genomen door een zakkenroller op een markt in Addis Abeba, de hoofdstad van Ethiopië. Ik wandelde daar met enkele col­lega's. We haalden een man in die zich midden op het stoffige, rom­inelige pad tussen de kraampjes zwaar strompelend voortbewoog. Alhoewel hij naar beneden keek, zag ik toch even zijn gezicht. Toen we 200 meter verder gewandeld waren, strompelde dezelfde man opnieuw voor ons. Hoe kon hij nu al strompelend ons hebben inge­haald nadat wij hem even daarvoor juist achter ons gelaten hadden? Mijn achterdocht was gewekt.

Deze keer ging hij niet opzij om ons door te laten. Hij liet ons als het ware tegen zich aanlopen. En in een oogwenk was het gebeurd. Hij had mijn portemonnee uit mijn borstzak gehaald. En ik zag dat hij hem naar een andere man een paar meter verderop gooide. Ik sprong er gelijk achteraan, schreeuwde iets en kreeg de arm van die man te pakken. De mensen om ons heen snapten direct wat er gebeurde en blokkeerden de doorgang voor de man die mijn portemonnee vast­hield. Zo had ik hem na een paar seconden weer terug! Ik zou de man die zich als kreupel voorgedaan had direct weer herkend hebben wan­neer ik hem opnieuw ontmoet zou hebben. Die zakkenroller dáár kende ik dan en ik was voor hem op mijn hoede. Maar, voordat ik hem had leren kennen, kon hij mij zomaar te pakken nemen. Zo is het ook met mammon. Hij heeft je te pakken voordat je er erg in hebt. En hij heeft dan ook binnen de kortste keren je zakken gerold en je geld te pakken!

`Mammon' staat niet voor `geld'. Want dan zouden we elke invloed van en contact met geld moeten mijden als de pest. Dan zou geld op zich ver buiten het Koninkrijk van God gehouden moeten worden. Omdat Jezus zelf geld gebruikte, weten we dat mammon wat anders moet zijn dan geld. Maar als het niet geld is, wat is het dan wel? De oorspronkelijke betekenis van het Aramese woord `mammon' is: `dat waarop men vertrouwt'. Het is een aanduiding voor vermogen, rijk­dom, bezit en winst. Derek Prince geeft aan dat mammon ook de macht is die hiervan uitgaat. Het is het systeem dat door geld en bezit gecreëerd wordt en het gedrag van mensen bepaalt. Dit betreft ons gedrag in het algemeen, maar vooral ook hóé we met geld en bezit op zich omgaan. Mammon is iedere invloed die geld en bezit op ons heeft, iedere rol die geld en bezit spelen in ons leven en ieder gebruik ervan dat in strijd is met de principes die God ons voorhoudt. Mammon is een afgodische en dus zondige wijze van omgaan met geld en bezit. Om te voorkomen dat zijn volgelingen op een verkeer­de manier met geld en bezit zouden omgaan wijdde Jezus 16 van zijn 38 gelijkenissen aan dit onderwerp.

Wanneer wij een andere houding hebben ten opzichte van ons geld en ons bezit dan die Jezus ons voorhoudt, dienen we mammon. Iedereen staat onder invloed van mammon. Daarom zal elke volge­ling van Jezus door het leerproces moeten gaan dat hem daarvan los­maakt. Wanneer we bij' Jezus in de leer zijn, leren we een houding tegenover ons geld en bezit te ontwikkelen overeenkomstig Gods bedoelingen.

Wij zijn de rijken waar Jezus over sprak!

Wij kunnen niet om mammon heen. Of we nu willen of niet, hij is altijd in onze onmiddellijke nabijheid. Mammon is elke wijze van omgaan met geld en bezit die afwijkt van die van Jezus. Daar wordt de wereld om ons heen volkomen door beheerst. Wij leven in die wereld en waar we mee omgaan, worden we mee besmet. Daar hoe­ven we niets voor te doen. Dat gaat vanzelf. Alleen wanneer we ons bewust zijn van de invloed van mammon en ons er tegen verzetten, kunnen we ons aan zijn greep ontworstelen.

Wij, christenen in Nederland en Vlaanderen, zijn rijk in vergelij­king met zowel de eerste discipelen van Jezus als met de overgrote meerderheid van christenen buiten het rijke Westen. Vijfendertig procent van alle christenen op aarde leeft zelfs onder de armoede­grens. Zij hebben een inkomen van minder dan één euro per dag. Dit betreft ongeveer 715 miljoen broeders en zusters met hun kinderen. WIJ ZIJN RIJK! Of we dit nu ontkennen of relativeren doet niets af aan deze werkelijkheid. Bijna de helft van de wereldbevolking, 2,8 miljard mensen, moet rondkomen van minder dan twee euro per dag. Ons inkomen ligt gemiddeld 25 tot 30 maal hoger!

Geen parallelweg maar T-splitsing

De Meester heeft zich heel duidelijk uitgesproken over mammon. Hij zei tegen zijn discipelen: `Niemand kan twee heren dienen: hij zal de eerste haten en de tweede liefhebben, of hij zal juist toegewijd zijn aan de ene en de andere verachten. Jullie kunnen niet God dienen én de mammon' (Mat. 6:24, Luk. 16:13). Het is hier van wezenlijk belang dat Hij zich richtte tot zijn discipelen. Zij worden er door Hem op gewezen dat de manier van omgaan met geld en bezit zoals de wereld dat doet, niet bij hen aanwezig mag zijn. Jezus geeft met deze uit­spraak aan dat Hij en mammon elkaars rivalen zijn. Het is onmoge­lijk beiden tegelijkertijd te dienen. Het is als de keuze bij een T-split­sing, je kunt niet tegelijkertijd beide kanten opgaan. Of Jezus is je Meester, of mammon heeft het in je leven voor het zeggen. Van bei­den een beetje is niet mogelijk. Waaruit blijkt of je de weg van Jezus gaat of mammon dient? Uit of je met je bezit omgaat zoals Jezus dat zijn volgelingen voorhoudt.

In handen van mammon

We dienen mammon wanneer we onze houding tegenover geld laten bepalen door de financieel economische marktmechanismen en het stelsel van normen en waarden dat hieraan ten grondslag ligt in plaats van door wat Jezus ons voorhoudt. Wanneer we de wijze waar­op we met geld omgaan laten sturen en bepalen door deze financieel economische wetten laten we ons leiden door de onrechtvaardige mammon. Wat bedoel ik met die mechanismen en wetten? De invloed, uitwerking en impact die geld heeft, op ons, onze houding, ons gedrag en op algemeen maatschappelijke processen. Geld creëert zijn eigen werkelijkheid. Met geld kun je nieuw geld scheppen en daardoor je bezit vermeerderen. Wanneer we geld zijn werking laten doen op de kapitaalmarkt, dan levert ons dat nieuw geld op. Dat geld hebben we dan in handen gegeven van mammon in plaats van dat we het beschikbaar hebben gesteld om daarmee onze behoeftige mede­mens te dienen. Dat is onrecht ten opzichte van onze behoeftige naaste. Daarom is mammon onrechtvaardig, of ‘vals' (Luk. 16:9,11). Hij houdt ons af van het zelfverloochenend dienen van de mede­mens. Mammon doet het luisteren naar God een lagere prioriteit krij­gen dan het luisteren naar wat de financieel-economische goeroes orakelen. Of dit nu de financieel adviseur van de locale bank is, of de directeur van de nationale effectenbeurs, maakt niet uit. Wanneer we ons geld en ons bezit, onze schat, in handen van mammon geven in plaats van in handen van Jezus, geven we ook ons hart in handen van mammon. Jezus zegt: `Waar je schat is, daar zal ook je hart zijn' (Mat. 6:21, Luk. 12:33). Ons hart volgt onze schat.

Jezus zegt niet alleen dat we God en mammon niet tegelijkertijd kunnen dienen, maar ook dat wanneer we de ene liefhebben, we de andere zullen verachten en haten. Wanneer we wat mammon ons voorhoudt, accepteren, verachten en haten we God. Wanneer we God liefhebben, verachten en haten we mammon. Mammon staat tegen­over Jezus, zowel letterlijk als figuurlijk. Mammon is onrechtvaardig, Jezus is rechtvaardig. Wanneer we Jezus volgen, betekent dit als het goed is dat we mammon en zijn onrechtvaardigheid verachten en haten. We willen niets meer met hem te maken hebben omdat het luisteren naar hem inhoudt dat we de Meester verachten en haten.

Moeder Teresa waarschuwt ons

Jezus zegt: `Streef naar minder, doe afstand van geld en bezit'. Mammon zegt: `Streef naar meer, verzamel meer geld en bezit'. Wat Jezus en mammon ons voorhouden, staat haaks op elkaar. Het is rnammon, het bedrog van de rijkdom en de begeerte naar al het ande­re, dat het zaad van de zaaier verstikt, zodat het zonder vrucht blijft (Mar. 4:19).

Vanuit dit perspectief vertelde Jezus ook de gelijkenis van de verontschuldigingen (Luk. 14:15-24). Alle genodigden voor het feestmaal hadden het te druk met hun bezittingen, hun schatten. Ze gaven geen gehoor aan de uitnodiging. In plaats van hen kwamen de bezitlozen, de bedelaars, misvormden, blinden en lammen uit de stra­ten en stegen van de stad. Zij werden niét in beslag genomen door hun bezittingen, want die hadden ze niet. Daarom: `Gelukkig jullie die arm zijn, want van jullie is het koninkrijk van God' (Luk. 6:20).

Jezus houdt zijn volgelingen voor afstand te doen van geld en bezit ten behoeve van de verkondiging van het Koninkrijk. Dát heeft de hoogste prioriteit in het leven van zijn volgelingen. Dát is hun groot­ste schat. Alle andere schatten, hun geld en hun bezit, worden aange­wend om die grootste schat werkelijkheid te laten worden. Dat is de betekenis van de gelijkenis van de parelkoopman.

Eén van de mensen die diep nagedacht heeft over de rol, plaats en invloed van geld in ons leven was Moeder Teresa. Zij zei: `Door het contact met geld verliest men het contact met God.' Deze bijzondere vrouw liet niet alleen in haar woorden blijken dat geld en God op gespannen voet met elkaar staan, ook haar leven en werk zijn daar ondubbelzinnige getuigen van. Zij en haar ordeleden hebben zich toegewijd aan het dienen van God en de naaste onder de gelofte van vrijwillige bezitloosheid. Liefde voor God en liefde voor geld zijn niet te verenigen. Als geld regeert in jouw leven, kan niet God ook rege­ren en andersom. De één sluit de heerschappij van de ander uit.

Grote schoonmaak in de tempel

Alle vier de evangelieschrijvers melden een hevige confrontatie tussen Jezus en mammon net voor een pesachviering. Jezus rijdt op een ezelsveulen(!) Jeruzalem binnen. De mensen roepen in extase: `Hosanna! Gezegend hij die komt in de naam van de Heere. Gezegend het komende koninkrijk van onze vader David. Hosanna in de hemel!' (Mar. 11:9,10). Na aankomst in Jeruzalem bezoekt Jezus de tempel. Dan lezen we (Mar. 11:11): `Nadat Hij alles in ogenschouw had geno­men, ging Hij - want het was al laat geworden - met de twaalf terug naar Betanië.' De volgende dag gaat Hij weer naar de tempel en vindt er opnieuw de kooplui en hun handelswaar - duiven, schapen en run­deren. Wat doet Hij? Hij drijft met een zweep van touw allen die ver­kochten en kochten, de schapen en de runderen, de tempel uit. De stoelen van de duivenverkopers keert Hij om. Het geld van de wisse­laars werpt Hij op de grond en hun tafels keert Hij om. Hij verwijt de mensen dat zij het huis van zijn Vader tot een verkoophuis, een rovershol maken. Soms denken we dat het een soort impulsieve opwelling was van Jezus, deze tempelreiniging. Dat is echter niet het geval. Hij had eerst de situatie in zich opgenomen en is toen gaan sla­pen. Pas de volgende dag keerde Hij weloverwogen terug om de tem­pel te reinigen. Zijn verontwaardiging vond natuurlijk zijn oorsprong in het feit dat mammon gediend werd in de tempel waarin zijn Vader moest worden gediend. De handelaars en wisselaars zaten daar om zoveel mogelijk aan mensen te verdienen en zich met woekerwinst aan anderen te verrijken. Zo'n houding is fundamenteel onverenig­baar met Gods opdracht om de naaste lief te hebben als jezelf. En dat was een algemeen geaccepteerd onderdeel geworden van het pesach­feest in nota bene de tempel waar God zich wilde laten aanbidden.

Wanneer ben ik nu een goede rentmeester?

Een rentmeester is iemand die het bezit van een ander beheert en investeert. Hij doet dat uitsluitend op de manier die de eigenaar hem opgedragen heeft, dus in overeenstemming met de wil van zijn heer (Luk. 12:47). Als volgeling van Jezus ga je te werk zoals een rent­meester die in dienst is bij zijn heer. Zegeningen die God jou toever­trouwt, behandel je zoveel mogelijk op de manier die Jezus (God dus) heeft bepaald.

Het voorbeeld van rentmeesterschap gebruikt Jezus exclusief voor zijn discipelen, niet voor de gelovigen in de menigte (Luk. 12:22, 16:1). Die gaan immers anders om met Gods zegeningen. In Lucas 12 vin­den we een beeld van een goede en slechte rentmeester, in Lucas 16 gaat het alleen om een slechte. In hoofdstuk 12 maakt Jezus Zijn dis­cipelen duidelijk dat Hij van hen verwacht dat ze Zijn opdracht uitvoe­ren zoals een rentmeester de opdracht van zijn opdrachtgever correct uitvoert. Hij benadrukt hierbij dat het belangrijk is om te allen tijde de juiste houding te blijven bewaren. Wanneer hun Meester niet langer bij hen is, moet hun houding zijn alsof Hij elk moment kan terugko­men om te zien hoe zij het doen. En wat dienen zij te doen? Dat lezen we in het stukje dat aan deze gelijkenis vooraf gaat: ze dienen hun bezit te verkopen om aalmoezen te geven (vers 33) en zich dan geen zorgen te maken over hun levensonderhoud, omdat Vader voor hen zorgt wanneer ze zijn Koninkrijk zoeken (vers 22, 29-31). Heb je veel zegeningen ontvangen, dan zal er veel van je geëist worden (vers 48)namelijk dat je veel teruggeeft aan God voor de verdere uitbouw van zijn Koninkrijk.

De les die Jezus zijn discipelen in Lucas 16 voorhoudt, is dat zij hun rentmeesterschap niet mogen invullen zoals die ontrouwe rent­meester. De zegeningen die God hun gaf, dienen ze niet te gebruiken naar eigen goeddunken.

In plaats daarvan dienen zij het bezit van hun Meester uitsluitend aan te wenden voor de doeleinden die Hij daarvoor heeft vastgesteld. Die doeleinden zijn niet die van mam­mon, maar die van Hem. De fout die wij gemakkelijk maken, is dat we het rentmeesterschap waarover Jezus sprak, interpreteren in de zin van dat we de ons bekende regels voor goed rentmeesterschap zo correct mogelijk dienen toe te passen bij het beheren van ons bezit. Dat is, mijns inziens, echter niet de meest juiste interpretatie. Het gaat niet om de ons bekende regels voor goed rentmeesterschap, want dat zijn waarschijnlijk niet die van Jezus, maar eerder die van mammon. Dat wat wij in de maatschappij leren over het beheren van geld en bezit is niet wat Jezus zijn volgelingen voorhoudt. Zodra zij met Gods bezit handelen conform de bedoelingen van Jezus, dienen zij daarbij met overleg te werk te gaan, zoals de rentmeesters, kinde­ren van deze wereld, dat ook doen (vers 8).

Jezus sluit de gelijkenis over de ontrouwe rentmeester af met de uit­spraak: `Ook Ik zeg jullie: maak vrienden met behulp van de valse mammon, opdat jullie in de eeuwige tenten worden opgenomen wan­neer de mammon er niet meer is' (Luk. 16:9). Wie kan je opnemen in de eeuwige tenten? Alleen God (Drie-enig). Hoe maak je Hem tot vriend met je geld en overige bezittingen? Wanneer je ermee handelt zoals Jezus je dat voorhoudt. En wanneer je 'onbetrouwbaar blijkt in de omgang met de valse mammon' (Luk. 16:11), dus niet met je bezit dat gedaan hebt wat Jezus van jou als zijn volgeling vraagt, `wie zal jul­lie dan werkelijk belangrijke dingen toevertrouwen?' Deze werkelijk belangrijke dingen vormen de zegeningen die God geeft op gehoor­zaamheid aan Jezus' voorbeeld. Vervolgens zegt Jezus dan: `Jullie kunnen niet God dienen en de mammon'. Je kunt niet tegelijk rent­meester zijn op de manier van de wereld en de manier van Jezus want die methodes zijn tegengesteld aan elkaar.

Binnen het rentmeesterschap dat Jezus van Zijn volgelingen vraagt, bestaan twee hoofddoelen. In de eerste plaats is dit dat we ernaar streven tevreden te zijn met genoeg. Genoeg aan bezit voor ons levensonderhoud om vervolgens al het overige te investeren in zijn Koninkrijk. Het tweede hoofddoel is dat we leren de grens waar voor ons dit genoeg ligt steeds verder te verlagen.

Onderken zijn duivelse misleidingen

Uit de houding die velen van ons hebben tegenover geld en bezit blijkt dat we ons meer door mammon laten leiden dan door Jezus. De meeste van ons zullen ons dat hoogstwaarschijnlijk niet of nauwelijks bewust zijn. Geen enkele serieuze christen is er immers op uit om mammon in plaats van Jezus te dienen? Dat mammon toch alom door christenen gediend wordt, blijkt heel duidelijk uit het bezit dat wij voor onszelf houden. Bezitsvermeerdering is onder christenen nog altijd veel en veel populairder dan bezitsvermindering. Bezitsvermeerdering, of zelfs het op gelijk peil houden van het bezitsniveau is in de meeste situaties in strijd met Jezus' voorbeeld van en opdracht tot bezitsvermindering (zie paragraaf 4.3). De drang tot bezitsvermeerdering, hebzucht, is een uiting van een levenshouding waarin we mammon meer dienen dan Jezus. Daarom noemt Paulus hebzucht ook afgoderij (Kol. 3:5). Dit geeft mammon een plaats binnen het pantheon van afgodische geeste­lijke machten en een eigen demonische persoonlijkheid. Afgoden ver­tegenwoordigen altijd een demonische geestelijke kracht (Deut. 32:17, Ps. 106:36,37, 1 Kor. 10:19, Gal. 4:8, 9). Mammon is daar één van. Het is zijn doel zowel christenen als niet-christenen te overheersen. Hij slaagt daar grandioos in.

Zeven manieren waarop mammon ons te grazen neemt

Mammon dringt zich op veel manieren aan ons op. Hij heeft een veelheid aan verfoeilijke verleidingen waarmee hij ook veel christe­nen weet te bekoren en aan zich bindt. Wie neemt er onder ons bewust stelling tegen zijn invloed? Eén van zijn tactieken is om een open, bijbels gesprek over geld en geldbesteding in de taboesfeer te trekken. Er wordt onder christenen veel over geld en bezit gesproken. Die gesprekken blijken echter vaker te draaien rond de principes die mammon dan die Jezus ons voorhoudt.

We kunnen als volgelingen van Jezus de macht van mammon in ons leven gaan verbreken door open en eerlijk zijn duivelse verleidingen en invloed onder ogen te zien en bespreekbaar te maken.

Mammon doet er alles aan om te voorkomen dat wij ons bezit beschikbaar stellen voor de uitbouw van het Koninkrijk. Wanneer hij daarin slaagt, verminkt hij onze navolging.

  • Mammon ontneemt ons het vertrouwen op God. Hij verleidt ons met het idee dat omvangrijke bezittingen ons meer veiligheid en geborgenheid geven dan Gods belofte dat Hij voor ons zorgt wanneer wij handelen met ons bezit zoals Jezus ons dat voorhoudt.

  • Mammon liegt ons voor dat we vrij kunnen beschikken over wat God ons toevertrouwt. Hij misleidt ons met gezegden zoals: `Wie geld heeft, maakt de regels', `Geld heeft geen meester' en `Geld schrijft zijn eigen wetten'. Hij liegt ons voor dat we met ons bezit kunnen doen wat we zelf willen. Hij maakt ons blind voor het feit dat alles hier op aarde Gods bezit is dat we, als volgelingen van Jezus, beloofd hebben te behandelen op de manier die Jezus ons voorhoudt. Niet de beschikbaarheid van geld bepaalt of we ons iets wel of niet kunnen veroorloven, maar of het direct of indirect een bij­drage levert aan de uitbreiding van Gods Koninkrijk.

  • Mammon verleidt ons tot een trotse, zelfingenomen levenshou­ding. Hij gebruikt geld en bezit om ons in de val te lokken van het streven naar status, macht, aanzien en egotripperij. Hij wil ons doen geloven dat wij meer succesvol zijn naarmate wij over meer geld en goed beschikken. Zo voedt hij onze zelfingeno­menheid en arrogantie. Jezus hield zijn volgelingen voor om zich dienstbaar, zelfverloochenend en gevend op te stellen.

  • Mammon geeft ons een irrealistische verwachting van wat met geld te bereiken is. Hij laat ons geloven dat bezittingen de meest belangrijke midde­len zijn om mensen uit de problemen te helpen. Hierdoor ver­wachten we vaak meer van de macht van het geld, dan van de kracht van God. Petrus zei tegen een lamme bedelaar: `Geld heb ik niet, maar wat ik wel heb, geef ik u: in de naam van Jezus Christus van Nazaret, sta op en loop' (Hand. 3:6). Hij had geen geld, maar wel de kracht van Jezus. Van ons geldt meestal het tegenovergestelde.

  • Mammon liegt ons voor dat Gods zegen vooral voor onszelf bedoeld is. Hij slaagt er vaak goed in ons te doen geloven dat het een deugd is onze financiële reserves uit te bouwen. Hij beduvelt ons met het idee dat een hoog inkomen een zegen van God is die we vooral voor onszelf moeten houden.

  • Mammon geeft ons een vals gevoel van geluk en voldoening. Hij verblindt ons met de overtuiging dat groeiend bezit de basis is voor meer geluk en voldoening. Echte vervulling ontvangen we echter alleen wanneer we doen wat de Meester van ons vraagt.

  • Mammon bindt ons in slaafse zorg voor en om ons bezit. Hoe meer bezit, hoe meer tijd en energie we aan het beheer, onderhoud en de verzorging ervan kwijt zijn. Al die tijd, samen met de lichamelijke en emotionele energie die we erin investe­ren zijn niet beschikbaar voor het Koninkrijk.

Als je er maar niet aan vast zit

Wanneer we ons proberen te ontworstelen aan de machtige greep van mammon, zal hij ons hoogstwaarschijnlijk met sterke gevoelens van angst en onzekerheid overvallen. Hij zal proberen ons ervan te over­tuigen dat het vertrouwen op hem veel veiliger is dan het vertrouwen op God. Bij dat alles moeten we echter één ding heel helder voor de geest houden: mammon is een vuile leugenaar! God is de God der waarheid, zijn Woord is de Waarheid. God wil ons zegenen en in onze behoeften voorzien, want onze hemelse Vader weet wat wij nodig hebben (Mat. 6:8,32). Zijn belofte is dat als wij het zoeken van zijn Koninkrijk en zijn gerechtigheid de eerste plaats geven, Hij ons alles schenken zal wat wij daarvoor nodig hebben. Waar we als vol­gelingen van Jezus naar mogen streven is dat we onderhoud en onderdak hebben, dat moet ons genoeg zijn (1 Tim. 6:8). Hudson Taylor, de man die alles achterliet om in China het Koninkrijk te ver­kondingen en zich daarbij in hoge mate liet leiden door de principes die we tot op heden behandeld hebben, schreef: `Incidentele gelde­lijke moeilijkheden ontstonden nooit doordat wij een tekort hadden voor onze persoonlijke behoeften, maar doordat wij reageerden op de noden van de vele hongerenden en stervenden om ons heen.'

Veel christenen zijn de overtuiging toegedaan dat je wel veel geld en bezittingen mag hebben, mits je je er niet aan hecht. Heb je ooit een christen ontmoet die veel van de materiële zegeningen die God hem gaf voor zichzelf houdt en toegeeft er aan gehecht te zijn?! Of iemand inderdaad niet gehecht is aan zijn geld en bezit blijkt uit of hij er steeds meer mee om leert gaan zoals Jezus dat zijn volgelingen voorhoudt.

Hoe hielden de eerste discipelen hem op afstand?

De apostelen zijn hun Meester gevolgd. Ook zij hebben bezit en geld van de hand gedaan. Ze moesten wel oefenen om op dit punt een goede houding te ontwikkelen. Lucas beschrijft hoe Jezus hen door een onderdeel van dat vormingsproces leidde. Eerst de groep van twaalf, daarna een groep van tweeënzeventig. Het ging waarschijnlijk om een soort praktijkfase ter voorbereiding op hun blijvende missie na de eerste Pinksterdag. Het is opvallend dat er in de voorbereiding iets bijzonders gebeurde. Er is sprake van een uitwisseling. Ze lieten iets achter en ontvingen daarna iets nieuws.

Jezus trainde hen op weg te gaan zonder geld

Wat lieten zij achter? Luister naar wat de evangeliën ons vertellen over wat Jezus tegen hen zei: `Neem in je beurs geen gouden, zilve­ren of koperen munten mee' (Mat. 18:9). Hij gebood hen niets mee te nemen voor onderweg..., (Mar. 6:7), geen zilvergeld (Luk. 9:3); geen reistas, geen brood, geen geld, geen extra kleren (Luk. 10:4). Ze mochten absoluut geen enkel geldstuk bij zich steken of hebben.

`Zilver en goud', geld dus, is van oudsher een afgod die het dienen van God in de weg staat. We lezen in Ezechiël 7:19 dat zilver en goud mensen in Israël ten val brachten en dat men deze afgoden koesterde (Ez. 14:3). Dan merkt God op: `Moet ik me dan door hen laten raad­plegen?' Nu was dit zilver en goud waarschijnlijk gegoten in de vorm van een afgodsbeeld. Veel mensen aanbidden `zilver en goud' zelfs zonder dat het in een dergelijke vorm gegoten is! In welke vorm het ook aanbeden wordt, God laat ons weten dat wie afgoden aanbidden Hem tevergeefs zullen raadplegen omdat Hij zich verre van hen zal houden (8:6). `Al roepen ze nog zo hard om mij, ik zal niet naar hen luisteren', zegt God (8:18). `Ook al vasten ze, ik zal niet naar hun smeekbeden luisteren' (Jer. 14:12)

Jezus wilde voorkomen dat Zijn discipelen zouden vertrouwen op geld in plaats van op de zorg van Zijn Vader. De laatste koperen cent, al hun geld moesten zij achterlaten. Maar daar stond iets tegenover. Nu ja, iets? Hij gaf hun de macht om alle onreine geesten uit te drij­ven en iedere ziekte en elke kwaal te genezen (Mat. 10:1, Luk. 9:1). ik vind dat niet zo'n slechte ruil. Opvallend van deze ruil is de radica­liteit. Het is geen transactie zonder, maar mét scherpe kantjes.

Voelde Jezus zich dan niet verantwoordelijk?

Hoe kan dit nu, vragen we ons misschien af. Jezus stuurt Zijn disci­pelen erop uit zonder ook maar de meest basale reisuitrusting. Voelt Hij zich dan niet verantwoordelijk voor hun welzijn? Toch zegt Hij: `Een arbeider is het waard dat er in zijn onderhoud wordt voorzien'. Helemaal aan het eind van hun leerperiode, vraagt Jezus de groep van twaalf: `Toen ik jullie uitzond zonder geldbuidel, reistas en sandalen, kwamen jullie toen iets tekort?' Hierop antwoorden zij: `Niets!' (Luk. 22:35).

Uit dat Jezus bij de uitzending van beide groepen zo nadrukkelijk zegt dat zij geen geld mogen meenemen, blijkt dat zij gewoonlijk wel geld bij zich droegen. In ieder geval hebben Jezus en zijn twaalf dis­cipelen een soort gezamenlijke pot gehad waaruit zij onkosten betaal­den of geld aan armen gaven. Johannes spreekt op twee plaatsen over die gezamenlijke `kas' (12:6 en 13:29). Net voor zijn kruisiging gaat Jezus ervan uit dat zijn discipelen een geldbuidel bij zich hebben (Luk. 22:36). Het uitgaan zonder enig geld is dus niet iets perma­nents. Wat wel blijvend is, is dat volgelingen van Jezus geen geld en bezit verzamelen voor zichzelf. Zij geven zoveel mogelijk weg zodat het hen niet langer thuishoudt en immobiel maakt waardoor zij niet gehoorzaam kunnen zijn aan hun Meester.

Of laten we ons leiden door een semi-heiden?

Bij de uitstorting van de Heilige Geest ontvingen de apostelen per­manente macht en gezag over ziekten, kwalen, demonen en wat dies meer zij. Is de relatie tussen het ontvangen van die kracht en geld dan anders? Nee, want Petrus en Johannes hadden geen geld toen de lamme bedelaar aan de Schone Poort hen daarom vroeg. Vaak laten we ons in onze houding naar de behoeftige medemens inspireren door de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Laat ik beginnen te zeggen dat deze inspiratiebron altijd veel beter is dan je behoeftige naaste negeren. Toch was het niet Jezus' bedoeling dat deze Samaritaan voor Zijn volgelingen een voorbeeld zou zijn. Hij vertelde deze gelijkenis niet aan hen, maar aan een wetgeleerde. Die vroeg: `Wie is mijn naaste?' Jezus maakt hem daarop duidelijk dat het erom gaat dat jezelf een goede naaste bent. Hij toont een niet-volgeling van Hem door het voorbeeld van een semi-heiden, de Samaritaan, wat God van hem verwacht en zegt tegen hem: `Doet u dan voortaan net zo.' Jezus wees hem op zijn plicht om voor anderen te zorgen, ook financieel. Het is Gods bedoeling dat volgelingen van Jezus meer te bieden hebben. Vaak komen wij niet verder dan wat de barmhartige Samaritaan deed. We geven wat geld voor de verzorging van een behoeftige. Een reactie zoals de apostelen die konden geven, toege­rust met macht en gezag, is ons echter meestal vreemd. We moeten met z'n allen op onze knieën gaan en God smeken om weer te kun­nen gaan handelen als de apostelen in plaats van dat we genoegen (moeten) nemen met het beste waarmee een semi-heiden kan komen.

Lucas plaatst de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan direct na de uitzending van de tweeënzeventig discipelen. Ik denk dat hij hiermee een contrast heeft willen schetsen tussen hen die Jezus wel en hen die Hem niet volgen.

Hij bekleedt Zijn volgelingen met macht en gezag om mensen te bevrijden van ziekten, kwalen en boze geesten. Anderen zijn aangewezen op wat in de wereld voor handen is en dan komen we al gauw uit bij wat met geld te koop is. Het is ove­rigens heel bemoedigend om te zien dat zij die Jezus niet volgen, hun medemens helpen en zorg bieden. Het is de beste levenshouding zolang wij nog niet zodanig gerijpt zijn in onze navolging dat de Meester ons kan toerusten met zijn macht en gezag. Is dat wat de Samaritaan deed juist ook niet de houding waar elke nieuwe volge­ling van Jezus mee begint?

Hoe houd ik hem op afstand?

Jezus roept ons op afstand te doen van onze bezittingen. En dan? Moeten we ons daarna uitsloven om de `leegte' die ontstaan is weer op te vullen met dat wat er ooit was? We zijn zo gauw geneigd op de oude voet voort te gaan nadat we iets hebben gedaan dat hoort bij het nieuwe leven. Ongemerkt en ongewild raken we soms toch weer onder invloed van de bekoringen van mammon om dan met schrik tot de ontdekking te komen dat dit zo is. Naarmate we vorderen in onze navolging, wil de Heilige Geest ons helpen in een steeds vroe­ger stadium die invloed te herkennen. De verlokkingen van mam­mon op zich worden niet minder sterk, maar wel kunnen we leren ze te herkennen, ons ertegen te wapenen en ze te bestrijden. God biedt ons hiervoor een helm, pantser en schild aan.

Nooit meer aan het verzamelen slaan

Jezus zei tegen zijn discipelen: `Verzamel voor jezelf geen schatten op aarde (Mat. 6:19). Deze oproep geldt voor iedere situatie, zowel vóór we weggeven als erna. Wanneer we weggegeven hebben en we slaan ver­volgens toch weer aan het verzamelen, hebben we wel een goede daad verricht, maar is ons levenspatroon niet wezenlijk veranderd. Weggeven van wat je verzameld hebt, is de aanloop voor een leven waarin je niet langer meer verzamelt. Weggeven van je overvloed is, zoals we al eerder zagen, een manier van weggeven waarbij jezelf nog alle controle houdt. Je bepaalt zelf wanneer je wat weggeeft. Onze inzetbaarheid en waarde voor het Koninkrijk zijn niet afhankelijk van wat en hoeveel we bezitten in inmateriële zin. Misschien is onze bruikbaarheid juist wel omgekeerd evenredig met de omvang van ons bezit.

Jezus zei het kort en krachtig: `Verzamel voor jezelf geen schatten op aarde.' Hij vertelde ook een vermanende gelijkenis over het verza­melen van schatten: die van de rijke dwaas. Hij stelt hem als voor­beeld en zegt dan: `Zo vergaat het iemand die schatten verzamelt voor zichzelf, maar niet rijk is bij God' (Luk. 12:21). Wat bedoelde Jezus met schatten toen Hij zei dat we ze niet moeten verzamelen? Ik heb tijden rond gelopen met een jongensidee van wat Jezus hiermee bedoeld moest hebben. Toen ik nog op de basisschool zat, heb ik eens een boek gelezen waarin schatgravers ergens op een verlaten plek een kist vol gouden munten en fonkelende juwelen vonden. Het was een geweldige schat aan kostbaarheden. Ik heb jaren gedacht dat Jezus ons voorhoudt dat we er niet naar moeten streven een berg goudgeld en schitterende edelstenen te verzamelen. Het was voor mij een echte eye opener toen me duidelijk werd dat Jezus niet in de eerste plaats sprak over een schat in deze vorm! Hij heeft het gewoon over de goe­deren die deze man had opgeslagen (vers 19). Verderop, in vers 33, zijn het bezittingen die Jezus in vers 34. als schat bestempelt. Toen Hij zei dat we geen schatten moeten verzamelen, bedoelde Hij dus dat we geen goederen en bezittingen moeten verzamelen, overigens inclusief goud en juwelen. En moet je constateren dat je toch aan het verzamelen bent geslagen, dan heeft Hij de remedie: verkoop wat je bezit en geef de opbrengst aan de armen. Hiervoor hebben we het gehad over bezitsbeperking. Het voorbeeld voor en de opdracht van Jezus aan hen die Hem volgen, is bezitsbeperking of bezitsvermin­dering. Bezitsvermindering is het directe gevolg van het aan de ene kant weggeven van je bezittingen en aan de andere kant het niet lan­ger verzamelen ervan. We kennen allemaal het gezegde: waar afgaat en niet bijkomt, wordt minder. Wanneer we onze bezittingen wegge­ven en er geen nieuwe aan toevoegen, komen we vanzelf in de situa­tie waarin de Meester zich bevond. In hoeverre zijn we op dit vlak herkenbaar als mensen die stap voor stap meer worden zoals Jezus was en leefde?

Vind een goede balans tussen eenvoud en inzetbaarheid

Als we het hier hebben over bezit en bezittingen moeten we natuur­lijk onderscheid maken tussen noodzakelijke gebruiksvoorwerpen en onnodig luxe of dure bezittingen die we willen hebben om de `heb'. Alles wat we bezitten om de `heb’ is een blijk van het feit dat we behept zijn met hebzucht. We stellen er onze onbeheerste begeerten en gebrek aan toewijding en gehoorzaamheid aan de Meester mee ten toon. Met de functionele inzet van noodzakelijke gebruiksvoor­werpen is uiteraard niets mis. Echter, rond wat wij doorgaans als functioneel en noodzakelijk ervaren, zijn wel heel wat vragen te stel­len. Het doel van het volgen van Jezus is niet om zo arm mogelijk te leven of om zo min mogelijk bezit te hebben. Dit doel is wel om zoveel mogelijk van de zegeningen die God ons geeft aan Hem terug te geven op de wijze zoals Jezus dit voorleefde. Hij ging daarin zover dat Hij de levensstandaard van de armen van zijn tijd aannam. Belangrijk is wel dat de eenvoud van onze levensstijl niet onze inzet­baarheid voor het Koninkrijk ondermijnt. In onze tijd heb je sommi­ge gebruiksvoorwerpen nodig om productief te zijn. Apparaten zoals telefoon en wasmachine besparen je veel tijd. Ook een computer en een auto kunnen enorm hehulpzaam zijn in ons werk voor het Koninkrijk. Daarnaast mogen we rekening houden met onze behoef­te aan ontspanning, schoonheid en gezelligheid.

Verwijzend naar het principe van het groeien in navolging, wil ik met klem benadrukken dat het leren gehoorzamen van Meester Jezus en het leren afstand nemen van mammon een groeiproces is. Binnen deze groei leren we meer en meer op God te vertrouwen en steeds minder te hechten aan en te vertrouwen op bezit. We leren eveneens steeds meer dat we ons geen zorgen hoeven te maken voor dat wat we nodig hebben omdat we in toenemende mate ervaren dat God daarin voorziet.

Wanneer je kiest voor een eenvoudige levensstijl in combinatie met een beperkt inkomen kan dit, vooral in het begin, leiden tot zorg rond onverwachte noodzakelijke uitgaven wanneer er geen geldelijke reserves zijn. Het blijven behouden van een beperkte reserve is daar­om aan te bevelen. Voorkom dat je keus voor een beperkt inkomen of het behouden van een te beperkt deel van je inkomen leidt tot een situatie waarin je jezelf zorgen gaat maken over de dingen die je echt nodig hebt. Maar durf aan de andere kant ook steeds nieuwe stappen te nemen in geloof en vertrouwen op Gods beloften. Toenemende eenvoud in onze levensstijl mag natuurlijk niet ontaarden in onver­zorgdheid of verpaupering. Ons volgen van Jezus dient zoveel moge­lijk een uitstraling te blijven houden die anderen positief uitdaagt zich bij ons aan te sluiten.

Vakantie aan het Veerse Meer

Het 6 PK buitenboordmotortje pruttelde er lustig op los. Hij had er weinig moeite mee het blauwe kunststoffen huurbootje over het Veerse Meer te duwen. We zaten er met zijn vijven in en genoten van één van die mooie middagen van de heerlijk zonnige zomer van 2003.

De con­touren van het stadje Veere gleden ons rechts voorbij. Links haalden we een prachtig groot zeilschip met bruine zeilen in waarop een groep jon­geren ervoeren wat er allemaal nodig is om zo'n schip op koers te krij­gen en te houden. We waren als gezin op vakantie in Zeeland op een mooi plekje vlak bij het Veerse Meer. Heerlijk met z'n allen genieten van zon, water, bos en strand. Rieneke, onze oudste dochter, stuurde. Haar jonge gezicht was al gebruind door de vakantiezon en haar blon­de krulhaar wapperde vrolijk naar achteren door de snelheid die we maakten. Op het meer was het een bedrijvig heen en weer varen van jachtjes, jachten, grote en kleine zeilboten en allerlei andere varende voertuigen. Langs de wal lagen gezellige campings vol vakantiebedrij­vigheid en op veel plekken aan de oever zagen we witte tourcaravans met daarvoor een glimmend gepoetste auto. Er was die middag iets dat me opviel: de leeftijd van de schippers, caravaneigenaren en vakantie­huisbezitters was, naar schatting, vaak 45 jaar en ouder. Naarmate we ouder worden, schaffen we in de regel meer bezittingen aan in plaats van dat we er afstand van doen. Een groter huis, nieuwe meubels, een meer comfortabele badkamer, eindelijk eens een bijdetijdse keuken, een betere auto voor die lange ritten en passende, representatieve kle­ding. We kunnen niet zonder, vinden we.

Begin dat jaar waren Rietje en ik als voorganger betrokken bij de start van een nieuwe gemeente. Op verzoek van onze moederge­meente hadden wij ons, ruim een jaar eerder, beschikbaar gesteld om alles te gaan voorbereiden. Die vakantie in Zeeland hadden we, naar onze beleving, hard nodig. We waren uitgeput van deze uiterst inten­sieve maanden waarin we voor het eerst van ons leven als voorgan­gersechtpaar betrokken waren bij de start van een nieuwe gemeente. Het was een heel bijzondere tijd waarin we veel nieuwe dingen leer­den. We ervoeren het als een geweldig groot voorrecht om zo heel concreet bezig te zijn met de opdracht van onze Meester om anderen te dienen met onze gaven door hen te leiden in het verder groeien in het volgen van Hem. Dit tochtje langs al die boten, schepen en cara­vans toonde me nog eens extra hoe we geneigd zijn het tegenoverge­stelde te doen van wat Jezus ons voorhoudt.

Zeven praktische suggesties

Hoe sterker de invloed van mammon in ons leven, hoe minder we in staat zijn Jezus te volgen. Mammon bombardeert ons permanent met zijn aanvallen en velen van ons zijn er zich niet of nauwelijks van bewust. We zijn vaak een gemakkelijke prooi voor hem. Wanneer we Jezus volgen, moeten we verder gaan dan alleen maar mammon op afstand houden. We dienen de tegenaanval in te zetten door zijn tac­tieken uit de taboesfeer te halen.

Het is nodig dat we aan de ene kant onze vaak verkeerde houding tegenover geld en bezit belijden. Aan de andere kant dienen we keu­zes te maken die ons verder brengen in de richting die Jezus van ons vraagt. Laten we elkaar hierin ook aanmoedigen. Wellicht spreken daden op dit terrein in eerste instantie duidelijker dan woorden. Toch is het goed om ook met elkaar het gesprek aan te gaan over hoe we ons aan mammons greep kunnen ontworstelen.

  1. Praat met elkaar over zijn duivelse misleidingen en over de leugen van `financiële onafhan­kelijkheid'. Wat we daaronder verstaan is niet financiële onaf­hankelijkheid, maar afhankelijkheid. We vertrouwen dan volle­dig op wat ons geld en ons bezit ons te bieden heeft en stemmen daar heel ons leven op af. Deze zogenaamde financiële onaf­hankelijkheid is feitelijk een streven naar volledige afhankelijk­heid van mammon en onafhankelijkheid van God!

  1. Neem regelmatig en frequent tijd met God om je in zijn tegen­woordigheid te bezinnen op wat geld en bezit voor rol spelen binnen navolging. Hoe meer tijd we daarin steken hoe beter, al was het alleen al om daarmee mammon in ons leven afbreuk te doen. Zeggen we niet dat tijd geld is? Door niet onze tijd te ste­ken in waar hij, maar wel waar Jezus om vraagt, bestrijden we mammon en zijn invloed in ons leven.

  1. Een bezinning op het geven van tienden is ook een goede manier om te ontdekken hoe sterk de invloed van mammon op ons is. In oudtestamentische tijden verwachtte God van elke Jood dat hij een tiende deel van zijn inkomsten aan God zou teruggeven. Dit is een grondregel die aan de ene kant nog steeds geldt, maar aan de andere kant door Jezus op fundamentele wijze is aangescherpt. Voor potentiële volgelingen is het geven van tienden een goede test. Indien we deze test niet halen, moe­ten we onszelf niet inbeelden dat we voldoende vrij zijn van de invloed van mammon. In de vroegchristelijke kerk was het gebruikelijk dat men veel meer dan de tiende gaf. Volgens kerk­vaders als Justinus de Martelaar (ca. 100-165 na Christus), Irenaeus (ca. 130-200) en Origenes (ca. I85-254) was tienden geven een kwestie van verleden tijd. Christenen waren dat stati­on gepasseerd en waren veel vrijgeviger.

  1. Ga geven zien als een daad van aanbidding. God aanbidden doen we natuurlijk niet alleen met woorden maar ook met daden. Wanneer onze woorden een sterkere expressie zijn van onze liefde en bewondering voor God dan onze daden, dan klopt er iets niet. Als we niet ruimhartig geven als bijdrage aan de uit­bouw van het Koninkrijk, kunnen we wel met mooie woorden zeggen dat we God aanbidden, maar spreekt ons handelen van het aanbidden van mammon.

  1. Bezin je op wat God bedoelt met hebzucht en geldzucht. Probeer beide levenshoudingen eens te interpreteren met de inhoud van dit en het vorige hoofdstuk als uitgangspunt. Bid vervolgens om licht over wat Paulus bedoelde toen hij zei dat de wortel van alle kwaad geldzucht is (1 Tim. 6:10) en dat geldwolven (hebzuchti­gen) het Koninkrijk Gods niet zullen beërven (1 Kor. 6:10).

  1. Ga eens na in hoeverre jij te maken hebt met een soort hersen­spoeleffect ten aanzien van de heersende moraal over geld en bezit. Wat voor invloed hebben (TV-)reclames, de levenshouding van niet-christelijke buren en collega's op je? Wat helpt je een houding tegenover geld, geldbesteding en bezit te ontwikkelen die overeenkomt met wat Jezus ons voorhoudt?

  1. Bezin je op wat Jezus bedoelde met: `Ik verzeker jullie: slechts met grote moeite zal een rijke het koninkrijk van de hemel binnengaan' (Mat. 19:23) en `Wat is het moeilijk voor rijken om het koninkrijk van God binnen te gaan' (Mar. 10:23 en Luk. 19:24). Het is een misleiding van mammon te denken dat wij niet rijk zijn of niet veel geld hebben. Natuurlijk zijn er anderen die nóg rijker zijn dan wij, maar vijf van de zes miljard mensen zijn armer. Wij behoren tot de rijke bovenlaag, het wegredene­ren daarvan brengt ons alleen nog maar verder in de problemen.

Wanneer we ons bezinnen op de invloed van mammon, dienen we elke vorm of houding van moralisme te vermijden. We moeten ons­zelf en anderen geen schuldgevoel aanpraten, maar helpen wegen te vinden om onder de invloed van mammon vandaan te komen. We mogen dit in alle liefde doen, zonder een veroordelende houding naar onszelf of anderen. Laten we ook op dit punt leren van Jezus. Ondanks dat de rijke jongeling hopeloos vast zat aan geld en bezit, had Jezus hem lief (Mar. 10:21). Jezus waardeerde hem, terwijl hij nog geheel onder invloed van mammon stond. Aan de andere kant was Jezus ook heel duidelijk. Hij houdt ons allen voor dat wij, zolang wij mammon dienen, niet zijn volgeling kunnen zijn. De rijke jon­geling wilde geen afstand doen van zijn bezit om Jezus te volgen. Hij was de enige van wie we lezen dat hij de persoonlijk tot hem gerich­te uitnodiging van Jezus om Hem te volgen, van de hand wees. Hij kon niet Jezus dienen, want hij diende mammon. Hij had zijn hart verpand aan een andere god.

Hoe zit het nu met die drachmen en talenten?

Ik wil hier nog wat zeggen over een wijdverbreid misverstand. Of moeten we het een misleiding noemen? Het gaat om de interpretatie van twee gelijkenissen: die over de talenten (Mat. 25:14-30) en de drachmen (Luk. 19:11-27). In beide gelijkenissen draagt een heer zijn dienaren op handel te drijven met zijn geld terwijl hij in het buiten­land verblijft. Sommige van die dienaren weten met hun handel het geld te verdubbelen. Eén van hen echter verstopt het in de grond. De eersten worden door hun heer bij zijn terugkeer geprezen. Hij verwijt de laatste echter dat hij het geld zelfs niet op de bank gezet heeft. Een oppervlakkig lezen kan ons de indruk geven dat Jezus ons duidelijk wil maken dat wij geld moeten gebruiken om er meer mee te verdie­nen. Dat is echter absoluut niet zo! Wat Jezus' bedoeling was, lezen we in Lucas 19:11. Hij wilde zijn discipelen duidelijk maken dat het Koninkrijk van God niet op korte termijn geheel openbaar zou wor­den. In plaats van passief daarop te wachten, moesten zij aan het werk gaan. Dit blijkt ook duidelijk uit de setting waarin Matthëus de gelijkenis plaatste: tussen die van de tien maagden die zich moeten voorbereiden op de bruiloft en de terugkeer van de Zoon des mensen met zijn engelen. Beide gelijkenissen zijn niet bedoeld om duidelijk te maken hoe volgelingen van Jezus met geld dienen om te gaan, maar om ons aan te moedigen de opdracht van Jezus uit te voeren en niet afwachtend op onze lauweren te rusten. Die opdracht is niet om zoveel mogelijk geld te verdienen, maar om heen te gaan en alle vol­ken tot zijn discipelen te maken. Hij wil ons met beide gelijkenissen aanmoedigen onszelf met heel ons hebben en houden in te zetten voor het Koninkrijk. Het is niet de bedoeling van deze gelijkenissen dat wij gaan handeldrijven of dat we zoveel mogelijk geld op de bank zetten en houden. Net zo min het de bedoeling is dat we als koopman op zoek gaan naar mooie parels naar aanleiding van de gelijkenis van de koopman die mooie parels zocht. Of dat Hij ons aanmaant land­bouwer te worden als respons op de gelijkenissen over het zaad.

Een oppertollenaar die het plotseling begreep

Financieel-economisch succes is geen zegen, maar een vloek, wan­neer wij met het bezit dat het ons brengt, verkeerd omgaan. Jezus zei: 'Wat is het moeilijk voor rijken om het koninkrijk van God binnen te gaan' (Mar. 10:23 en Luk. 18:24). We moeten nog wel onderscheid maken tussen geld ontvangen en geld hebben en houden. Geld voor jezelf houden is iets anders dan veel inkomsten hebben. We kunnen een hoog inkomen hebben, zonder rijk te zijn. Rijk zijn betekent dat je (te) veel van je inkomen voor jezelf houdt.

Volgelingen van Jezus worden gekenmerkt door relatieve bezit­loosheid en een eenvoudige levensstijl. Niet omdat je gebrek lijdt aan inkomsten, maar doordat je een zo groot mogelijk deel daarvan beschikbaar stelt voor de uitbouw van het Koninkrijk onder de behoeftige medemens. Wat denk je dat het gevolg was van Zacheus' besluit om de helft van zijn bezit aan de armen te geven? Zacheus was een rijke oppertollenaar (Luk. 19:1). Hij was gewend luxueus te leven. Het Griekse woord voor bezit dat Zacheus gebruikt wanneer hij zegt dat hij de helft ervan aan de armen wil geven, duidt op alles wat hem ter beschikking stond of wat hij voor handen had. Dus, daar ging de helft van zijn huisraad, kleding, geld, grond, huis, enz. Dat betekende een heel ander leven. Weg luxe, gemak en genot. Weg mooi huis en prachtig aangelegde, ruime tuin. Weg koopkracht en weg investeringspotentieel. Hij zal niet veel overgehouden hebben. Hij beloofde namelijk ook alles wat hij anderen afgeperst had, vier­voudig terug te geven. Nu was hij niet een gewoon tollenaartje, nee hij was oppertollenaar. Hij had dus een aantal mensen in dienst die ook zo af en toe wel wat extra's erbij zullen hebben `geregeld'. Daar was hij ook verantwoordelijk voor. Zacheus doet wat de rijke jonge­ling die Jezus net daarvoor ontmoette niet kon. En hoe reageert Jezus? Hij zegt: `Vandaag is dit huis redding ten deel gevallen.' In de ontmoeting met de Meester wordt Zacheus verlost van waar hij door gebonden was.

Leren omgaan met mijn bezit zoals Jezus dat bedoelde

Al te gemakkelijk praten we onnodig bezit goed door te wijzen op de rijkdom van mensen zoals Abraham en Job. Daarbij gaan we echter voorbij aan het feit dat beiden leefden in oudtestamentische tijd en dat Jezus een heel ander type levensstijl voorleefde. Overigens, zelfs koningen mochten, zoals Deuteronomium 17:17 duidelijk maakt, niet teveel goud en zilver vergaren. Iemand als koning Salomo was dus op dit punt enorm ongehoorzaam.

Als volgeling van Jezus ben je een toewijding aangegaan waarbinnen je belooft de zegeningen die God je geeft, zoveel mogelijk beschikbaar te stellen voor de verdere uitbouw van zijn Koninkrijk. Dat schept een morele plicht. Het niet nakomen van die plicht doet je in de schuld staan bij je Meester. Son zegt heel treffend dat onze schuld evenredig is met wat we aan geld en bezit voor onszelf houden". Roscam Abbing zegt het zo: '...hij die niet liefdevol naar vermogen geeft aan wie geld behoeft, maakt schulden. Zo gezien hebben misschien wel juist welgestelde mensen zich in veel schulden gestoken.' John Wesley zei dat iedere christen die meer voor zichzelf neemt dan het meest noodzakelijke voor zijn levensonderhoud de Heere openlijk en voortdurend verloochent.

God roept ons op om in ieder geval onze tienden te geven. Zacheus gaf de helft weg van alles wat hij had. De apostelen hadden alles ach­ter gelaten.

Hoe groter de omvang van ons bezit blijft, hoe groter het gevaar is dat we ons vertrouwen er op de één of andere manier op stellen. Geeft God je echter een beperkte hoeveelheid ervan in handen, dan voorkomt dat nog niet per definitie dat je niet ook mammon ermee dient. Ook wanneer je leeft op wat wij een bestaansminimum noe­men, kun je een verkeerde houding hebben ten opzichte van wat God jou in handen geeft. ook wanneer dat een beperkte hoeveelheid is, kun je begeren naar meer om het vooral te gebruiken voor eigen genoegen en genot in plaats van om het beschikbaar te stellen voor de uitbreiding van Gods Koninkrijk.

Ieder mens heeft schatten (bezit) verzameld. Sommigen hebben, om wat voor reden dan ook, meer bezit verzameld dan anderen. Jezus willen leren volgen, betekent dat we willen leren stoppen met het ver­zamelen van bezit in respons op zijn aanwijzing om geen schatten te verzamelen op aarde (Mat. 6:19, 20, Luk. 12:21). Het betekent ook dat we willen leren om afstand te doen van dat bezit wat we niet nodig hebben voor ons levensonderhoud en voor het volgen van Jezus.

Om te leren dat God voor hen zou zorgen wanneer zij zijn Koninkrijk verkondigden, stuurde Jezus zijn discipelen op weg zonder geld en bezit. Omdat bezit ons in de weg staat bij het verder groeien in rravolging, dienen we daarvan afstand te doen. Hoe? Jezus had hiervoor een oplossing die als een mes aan twee kanten snijdt. Geef het weg aan de armen. Daarmee help je jezelf en help je de armen. Daarnaast is het dan ook nog eens zo dat je met het geven aan de armen, schatten ver­zamelt in de hemel (Luk. 18:22, 2 Kor. 9:9). Die gerichtheid om je overtollig bezit aan de armen te geven, is niet een eenmalige actie. Het is iets wat we dienen te blijven doen (Gal. 2:10), al was het alleen al om ons voortdurend te verlossen van overtollig bezit. Armen en hun behoeften zullen er altijd blijven om op te reageren (Mar. 14:7).

Mag je rijk zijn?

Kun je rijk zijn wanneer je Jezus volgt? Ja. Het is daarbij heel ver­leidelijk te denken dat je ook rijk kunt blijven als je maar niet aan je geld en bezit vast zit. Jezus zei echter (Mar. 10:23): `Wat is het moei­lijk voor rijken om het koninkrijk van God binnen te gaan.' Jakobus verwoordde het zo: `Als iemand weet hoe het hoort maar er niet naar handelt, dan zondigt hij. En nu iets voor u, rijken! Weeklaag en jam­mer om de rampspoed die over u komt. Uw rijkdom is verrot en uw kleding is door de mot aangevreten. Uw goud en zilver is verroest, en die roest zal tegen u getuigen en als een vuur uw lichaam verteren. U hebt uw schatkamers gevuld, hoewel de tijd ten einde loopt (Jak. 4:17 - 5:3). Wanneer je echt serieus bent in je verlangen verder te groeien in het volgen van Jezus, kun je niet anders dan zijn aanwijzingen opvolgen. Doe je dat niet, dan groei je niet verder, of - wat waar­schijnlijker is - zak je terug naar een lager niveau.

Is het juist om een hoog inkomen te hebben wanneer je Jezus volgt? Op zich is er niets mis met een hoog inkomen. Het gaat ech­ter fout wanneer je te veel van dat hoge inkomen voor jezelf houdt zodat je overtollig bezit verzamelt en je dus verrijkt. Een rijke volge­ling van Jezus zal niet de juniorfase achter zich kunnen laten zonder afstand gedaan te hebben van zijn bezit.

Het leven dat Jezus ons ter navolging voorhoudt, werd gekenmerkt door wat Hij deed, maar ook door wat Hij niet deed. Eén van de din­gen waarin Hij ons voorging, is het feit dat Hij geen vast inkomen had. Hij was niet in loondienst en Hij beoefende evenmin een beroep waarmee Hij zich van een inkomen voorzag. Hoe kon Hij dan in zijn levensonderhoud voorzien? Doordat een deel van zijn volgelingen Hem diende met hun gaven. In Luk. 8:3 lezen we dat er velen met Jezus meetrokken van de ene plaats naar de andere die Hem en de groep van twaalf dienden met hun bezit. Hierin herkennen we het principe dat volgelingen van Jezus medevolgelingen die meer hebben opgegeven om het volgen van Jezus in praktijk te brengen dan zijzelf, onderhouden.

Gewijd geld niet door mammon besmet

In tegenstelling tot wat we vaak beweren, is geld niet neutraal. Het ene geld is heel anders dan het andere. Ik heb het niet over giraal tegenover contant geld of vreemde valuta tegenover de eigen euro of wat voor financiële of monetaire onderscheiding dan ook. Waar ik wel aan denk, is de geestelijke lading van geld. Al het geld dat we gebruiken binnen de kaders van het Koninkrijk komt ergens van­daan. Het is door iemand beschikbaar gesteld. Hoe werd het gege­ven? In onverschilligheid? Om een schuldgevoel af te kopen? Of uit liefde voor God en zijn Koninkrijk, uit toewijding aan Hem en de behoeftige naaste? Ging het afstaan van dit geld gepaard met gebed voor zegen op de inzet ervan?

Op de rekening waar het geld terechtkomt, is dit niet te zien. Maar dat geldt alleen voor mensen. De geestelijke lading van het geld dat wij gebruiken, valt buiten ons waarnemingsvermogen en onze wer­kelijkheidsbeleving. Maar er is nog een andere werkelijkheidsbele­ving: die van God. God weet hoe geld gegeven is. Wat de verwachtin­gen daarbij waren en of dit geld met gebed vergezeld ging. Dáárom is het ene geld het andere niet. Hudson Taylor waarschuwt ons voor het feit dat geld dat op de verkeerde manier is ingezet, of is gegeven van­uit onjuiste motieven, erg gevaarlijk is. Hijzelf wilde alleen gebruik maken van gewijd geld. Wat is dat? Dit is geld dat aan God ter beschikking is gesteld. Geld waar God - die weet uit welke bron elke gift komt - Zijn zegen aan wil geven.

Het is geld dat iemand:

  • eerlijk, volgens Gods principes verdiend of ontvangen heeft;

  • met liefde in vrijwilligheid en toewijding gegeven heeft;

  • beschikbaar gesteld heeft vanuit de overtuiging dat het niet het geld zelf is dat het gewenste effect teweegbrengt, maar dat de impact ervan afhankelijk is van Gods zegen;

  • ook daadwerkelijk vergezeld heeft doen gaan met oprecht gebed dat het gebruik ervan de zegen van God zal dragen en zijn doe­len zal dienen.

Een van de mensen die God op een heel bijzondere manier als vol­geling van Jezus gebruikt heeft, was Smith Wigglesworth (1859-1946). De vader van zijn vrouw erfde een groot fortuin, verkregen door de verkoop van alcoholische dranken. Beiden weigerden er ech­ter ook maar één cent van aan te raken. Gewijd geld kan gemakkelijk ontwijd worden. De wijze waarop het uiteindelijk wordt ingezet, het doel waarvoor het gebruikt wordt en de levenshouding van de men­sen die het gebruiken, bepalen of gewijd geld ook gewijd blijft. Wanneer het ingezet wordt door volgelingen van Jezus die afgere­kend hebben met mammon blijft de wijding bestaan. Het gaat erom dat gewijd geld door gewijde mensen wordt ingezet voor een gewijd doel binnen een gewijd proces. Naarmate hiervan meer sprake is, kan de inzet van dit geld meer vrucht dragen.

Natuurlijk kun je ook van alles bereiken met `ongewijd' geld. Daarmee kun je in ieder geval goed terecht bij mammon. Hem maakt het niet uit met wat voor geld je hem dient ('geld stinkt niet', zegt mammon). Bij Jezus is dat anders. De geestelijke lading die aan geld is meegegeven, bepaalt in hoge mate wat voor vrucht dit geld kan dra­gen binnen het Koninkrijk. Gewijd geld kan gewijde vrucht voort­brengen, ongewijd geld kan dat niet. Als we tevreden zijn met onge­wijde vrucht, dan hebben we geen gewijd geld nodig. Dan zullen we met veel enthousiasme een gelikte fondsenwervingsactie opzetten voor `het goede doel'. Dan zullen we ons vergenoegd in de handen wrijven bij elke euro die er binnenkomt ongeacht waar deze vandaan komt en hoe die gegeven is. Dan realiseren we ons ook niet dat we de mensen aan wie we dit geld beschikbaar stellen misschien wel iets in handen geven waarmee zij zich misschien nog verder uitleveren aan mammon.

Om ons, arme, failliete mensen rijk te maken, ontledigde Hij (Jezus) zich, weloverwogen en blijmoedig, van al zijn rijkdommen; en Hij deed dit niet door ze onder ons te verdelen, maar door ze achter te laten - aangezien zij noch nodig, noch geschikt waren voor het bereiken van zijn doel.

Hudson Taylor

Paulus bracht ook een zak met geld mee

We lezen in Handelingen dat er voedsel moest worden bereid of gekocht voor Griekse weduwen. Hiervoor was geld nodig en gemeen­teleden zorgden ervoor dat dit er was door hun bezittingen te ver­kopen. Later was Paulus betrokken bij twee geldinzamelingsacties voor hulpverlening aan de gemeente van Jeruzalem. De eerste was vanwege een grote hongersnood (Hand. 11:27-30, 12:25). De discipe­len van Jezus in Antiochië besloten dat elk van hen naar draagkracht iets zou zenden tot ondersteuning van de broeders in Jeruzalem. Paulus en Barnabas maakten vervolgens vanuit Antiochië speciaal een reis naar Jeruzalem om dit geld daar te brengen. De tweede inza­melingsactie was gericht op de armen in de gemeente (Rom. 15:25-27, 1 Kor. 16:1-4, 2 Kor. 8:1-14). Hiervoor hield Paulus in vijf gemeenten een collecte en bracht de opbrengst opnieuw zelf naar Jeruzalem. Dat er daar mensen arm geworden waren, was geen gevolg van het feit dat men eerst bezittingen had verkocht. De oorzaak hiervan was dat de gemeente uit elkaar geslagen was door vervolgingen en velen gedood en hierdoor gezinnen ontwricht waren. Velen hadden moe­ten vluchten met achterlating van de middelen en mogelijkheden om zich van een inkomen te voorzien.

Geld inzetten voor hulp aan behoeftige broeders en zusters behoort tot de basis van het volgen van Jezus (zie ook paragraaf 4.3). Hierbij dienen we ons echter wel een aantal dingen goed te realiseren. Omdat onze financiële middelen meestal beperkt zijn, zullen we pri­oriteiten moeten stellen. Hoe we daarbij te werk dienen te gaan, kun­nen we opmaken uit wat God ons in de Bijbel voorhoudt.

  • Allereerst hebben we de opdracht van Jezus ontvangen om het Koninkrijk te zoeken en discipelen te maken. Dit betekent dat we altijd dienen te zoeken naar mogelijkheden om de komst van het Koninkrijk te bevorderen door ons in te zetten orn mensen te leiden tot of te laten groeien in navolging.

  • Wanneer we ons bezit en ons geld aanwenden tot hulp van behoeftigen, dienen we onze geloofsgenoten voorrang te geven ten opzichte van anderen. Paulus zegt: `Laten we dus, in de tijd die ons nog rest, voor iedereen het goede doen, vooral voor onze geloofsgenoten' (Gal. 6:10).

  • Als we, dit alles gedaan hebbend, nog middelen over hebben, kunnen we ons inzetten voor mensen die geen christen zijn en waarvoor geldt dat binnen onze hulp het niet mogelijk is om het evangelie door te geven.

  • Belangrijk bij alle vormen van hulpverlening is dat we moeten voorkomen dat onze hulp mensen (verder) in handen van mam­mon drijft. Wanneer dit wel het geval is, zadelen we hen niet alleen met een groter probleem op, maar spelen we mammon in de kaart en ondermijnen we de heerschappij van onze Meester.

Jezus leren volgen is vooral leren breken met mammon

In mijn boek geef ik een aantal suggesties voor het gaan volgen van Jezus vanuit verschillende (gezins)situaties. Eigenlijk komen die suggesties in belangrijke mate neer op het jezelf losmaken van mammon, of het voorkomen dat je jezelf aan hem uitlevert. Wat ons vaak verhindert Jezus te volgen, of Jezus méér te gaan volgen, is onze gehechtheid aan aardse bezittingen of die nu stoffelijk of onstoffelijk van aard zijn. Wanneer we bij Jezus in de leer gaan, zullen we in veel gevallen vooral moeten leren loskomen van de macht die mammon over ons heeft. Hij is de grote rivaal, de grote tegenspeler die ieder­een probeert af te houden van het volgen van Jezus. Hij is daarmee niet alleen de rivaal van Jezus, maar ook ónze vijand. De rijke jonge­ling zat vast aan zijn status en zijn bezit. Daarom wilde en kon hij Jezus niet gaan volgen. Hij wilde mammon blijven dienen waardoor hij niet bij Jezus in de leer kon komen. Hij was een hooggeplaatst man en was zeer rijk (Luk. 18:18, 23). Hij bezat veel geld en goederen.

Wanneer je bij Jezus in de leer bent, leert Hij je de navolgings­principes die we in hoofdstuk 4 behandelden: het opgeven van je maatschappelijke status; het dienen van je naaste; het geven van jezelf en je bezit en het niet langer verzamelen van bezit. Deze prin­cipes staan haaks op dat waartoe mammon ons gewoonlijk verleidt. Mammon doet ons streven naar het tegenovergestelde van wat Jezus ons wil leren wanneer we Hem volgen. Daarom is het leren volgen van Jezus voor een belangrijk deel ook het jezelf leren ontworstelen aan mammon.

 

Nieuws

Top